Hoe ik een sissie werd.
Ik heb een gelukkige en tamelijk normale jeugd gehad. Daar zal het niet aan gelegen hebben. Weliswaar zonder vader - die is onbekend - en dus vooral omringd door vrouwen: mijn moeder, mijn grootmoeder en een tante. Maar als enige zoon was ik een doorsnee jongen. Ik ravotte, liep school, vocht spelenderwijs met klasgenootjes, klom in bomen en sprong over beken, racete met matchbox autootjes over de straten van het tapijt. Ik was niet stoer, veeleer mager en mijn mama hield van mijn krullend haar dat ze graag lang liet groeien. Maar verder was niets vreemds aan mij. Ook niet toen mijn grootmoeder stierf en mijn tante naar het buitenland trok. Ik leefde met mijn moeder gelukkig jaren alleen samen en op een occasionele pesterij op school na, was daar niets vreemds aan.
Aan die onbekommerde jeugd kwam een einde toen ik tien was en mijn moeder ziek werd. Het was mei, we stonden voor de examens, maar omdat ze moest opgenomen worden in het ziekenhuis en er niemand was om voor mij te zorgen, ging ik die vakantie logeren bij mijn tante. Ik kon dan daar thuis studeren en voor de examens zouden we wel wat regelen als mijn moeder genezen was. Zover is het nooit gekomen.
Mijn moeder bracht me naar Zaventem want mijn tante woonde in Engeland. Ik was er nog nooit geweest en heel benieuwd. In de dikke encyclopedie - internet bestond nog niet - had ik wat opgezocht en in een magazine vond ik foto’s van Londen. Dat trok me wel aan. De grote stad! We checkten in, gaven mijn reiskoffer af en ze wuifde me na toen ik met de stewards door de douane ging. Het was de laatste keer dat ik haar gezien heb.
Op Heathrow wachtte mijn tante me op. Ze zag er uit als die strenge juf op school, met haar haar in een dot en een grote bril op haar neus. Ze was iets ouder dan mijn moeder en kinderloos gebleven. Ze begroette me met iets van minachting in haar stem. ‘Ah, ben je daar?’, zei ze. Ze leidde me naar buiten en toen ik zei dat ik mijn koffer nog moest halen, antwoordde ze dat die zoek was geraakt. ‘Ze hebben die in het verkeerde vliegtuig geladen,’ zei ze. ‘Maar erg is dat niet, die komt later wel na. Die sturen ze door’. ‘Help,’ dacht ik, ‘mijn auto’s! Mijn stripverhalen! Mijn foto’s en mijn poëziealbum waar mijn vrienden in hadden getekend en hun adres en telefoonnummer hadden ingelaten!’ Ik had samen met moeder zoveel aandacht besteed aan het inladen ervan en zo hard moeten selecteren tussen de dingen die ik mee wou. Mijn kleren vond ik niet zo erg. Ik was altijd al tevreden met een korte broek en een sweater en sportschoenen. Dat had ik aan en meer had ik niet nodig. Maar ik troostte me met de gedachte dat die spullen later wel zouden opduiken. ‘Een dezer,’ had ze gezegd.
We reden in haar Austin Martin de luchthaven uit en de autostrade op. Ik wilde weten of Londen ver was. ‘London?’ zei ze met haar Brits accent, ‘we gaan helemaal niet naar London. Ik woon in Castle Comb, in Wiltshire.’ Ik was verbijsterd. ‘Woon jij in een kasteel?’ ‘Nee,’ lachte ze,’Castle Comb is een klein dorpje op ongeveer anderhalf uur rijden. Het is erg mooi en rustig. Je zal er van houden.’
Nou, dat dacht ik niet. Ik wilde naar die grote stad met die lichtreclames, met de musea en de drukke pleinen, die prachtige paleizen, hoge torens, de Big Ben en cinema’s. ‘Zijn er cinema’s in Castle Dinges?’ vroeg ik? Nee, er waren geen cinema’s. ‘Maar we kunnen wel eens een keertje naar de grote stad trekken. Als je braaf bent.’
Ik was altijd braaf. Wat had ze gedacht, dat ik een soort monstertje was? Een klein dorpje van niks dus, ergens op de buiten. Ik zou me zeker dood vervelen. Tijdens de rit tuurde ik uit het raam. We kwamen in heuvelachtig landschap terecht. Het zag er uit als een kinderboek. Mooi maar saai. Tante vertelde dat ze thuis werkte en dat we dus veel tijd samen zouden doorbrengen. Voorlopig hoefde ik niet naar school. Maar elke woensdag en zaterdag kwamen er kinderen aan huis, zei ze, aan wie ze bijles gaf. Dat zou ik wel leuk vinden. Dan kon ik wat nieuwe vriendinnetjes maken. ‘Euh,’ zei ik, ‘vriendinnetjes?’ Ik haatte meisjes. Dat hoorde zo. Ik vond ze flauw en onnozel. ‘Ja,’ antwoordde ze streng. ‘Ik geef naailes aan die meisjes. Soms blijft er wel eens eentje slapen in de logeerkamer. Maar nooit jongetjes. In mijn huis komen geen jongetjes binnen.’ Ze klonk erg kordaat. ‘Ik ben ook een jongen,’ zei ik, een beetje twijfelend. Ze keek me neerbuigend aan en zei ‘ja, dat zie ik.’
Ik dommelde in en werd wakker toen tante uitstapte om een hek aan een huis open te maken. Ze reed de oprit op en sommeerde me het hek achter de auto te sluiten. Daar stond haar huis. Het leek me wel middeleeuws: grote, donkere stenen, een leien dak, aan de gevel met de kleine raampjes, overal klimop. Op het dak een enorme schouw. Overal struikgewas. In de voortuin stond een grote notenboom met een schommel aan de dikste tak. Maar daar was ik natuurlijk al veel te oud voor.
Binnen nam ze me mee naar de keuken en schonk me een groot glas water dat ik in een teug opdronk. ‘Flink,’ zei ze, ‘je moet veel drinken. Dat is goed voor je. Kom, ik zal je de logeerkamer tonen.’ We stapten de grote houten trap op die in een bocht naar boven leidde. Daar opende ze een deur waarop een kleine teddybeer hing met een hartje in zijn handen. ‘Dit is nu je kamer,’ zei ze. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ik stond in een meisjeskamer! De hele kamer straalde meisjes uit. Van het roze behang met de honderden, duizenden kleine bloemetjes en de bijpassende gordijnen met hartjes over het zacht, wollig wit tapijt, een hemelbed met tierlantijntjes, een grote regenboog aan de langste muur, een dressoir met allerlei doosjes en flesjes en kraaltjes in potjes, het nachtkastje met een juwelenkistje, een grote houten koffer waaruit knuffels bulkten. Nog meer knuffels op het bed, beertjes, poppen met frullige kleedjes, barbies. Aan het raam stond een werktafeltje met daarboven een boekenschap. Wat op het eerste zich stripverhalen leken, bleken vooral boeken van Tiny en een zeldzame strip van Yoko Tsuno, boeken met titels als ‘Jungle Girl’ en ‘Tank Girl’ en een stapel magazines waarop in grote letters ‘Girls Talk’ en ’Thirteen’. Niet een ervan had jongens op de cover of in de titel. Aan het plafond hing een luster met glitters aan oneindige reeksen touwtjes en daarnaast een grote vlinder. De gruwel! Aan de andere kant stond een enorme kleerkast met vooraan een immense spiegel. Daarnaast een plushen zetel in - wat had je gedacht - fel roze.
Ik was onthutst. Ik vroeg haar ‘moet ik hier slapen?’ Ze lachte en zei ‘ja, ik zei al: hier logeren alleen meisjes. Dus is het ook ingericht voor meisjes. Vind je het niet leuk?’ Ik zei niks maar ze moet mijn uitdrukking gezien hebben en lachte nog harder ‘dat went wel,’ zei ze. ‘Nu eerst douchen! Hier is de badkamer, wees ze. Die was ook roze, helemaal betegeld. ‘Doe die vieze kleren maar uit,’ ik leg wel wat propers voor je klaar. Ik knikte en wachtte tot ze zou doorgaan. Maar daar maakte ze geen aanstalten toe. ’Nou, waar wacht je op? Uit met die kleren!’ zei ze streng. Treuzelend stapte ik uit mijn broek, trok mijn sokken uit, mijn sweater en t-shirt. Ik wilde de badkamer instappen, maar plots gilde ze ‘DOE DIE ONDERBROEK UIT! Ben je verlegen of zo? Hou daar maar mee op. Ik heb al meer dan genoeg piemels gezien in mijn leven. Uit ermee!’ Ik schrok zo hard dat ik tranen in mijn ogen voelde opwellen en trok mijn onderbroek uit. Ik moest voor haar komen staan en ze bekeek me van kop tot teen. ‘Je hebt wel een mooi lijfje,’ zei ze. ‘Dat zit wel goed. Ga nu maar snel in de douche, ik leg kleren op je bed. Een handdoek, zeepjes en shampoo vind je daar, op de glanzend roze kast wijzend.
Ik stapt de douche in, liet het water en mijn tranen de vrije loop. Ik miste mijn mama. Die riep nooit tegen me. En ik miste mijn spullen, mijn eigen spullen. Ik had er over gefantaseerd dat ik zou aankomen en mijn koffer uitpakken en de dingen rond me stallen zodat ik toch een beetje thuis zou zijn. En nu zat ik hier in die gruwelijke martelmeisjeskamer. Zoals mijn mama me geleerd had, waste ik eerst mijn haar. De shampoo rook heel sterk naar bloemetjes. Niet zoals gewone shampoo, maar zo fel dat het bijna de adem benam. Net als de zeep die in een kleurige verpakking zat vol bloemetjes. Ik voelde me verschrikkelijk, maar douchte tot het warme water me als een deken omringde en de badkamer vol damp hing. Toen ik eruit stapte en me afdroogde met de handdoek met een fleurige eenhoorn op, voelde ik me al iets beter. Ik had er maar het beste van te maken, het was maar voor een tijdje. En nadien kon ik er zeker om lachen als ik het aan mijn moeder vertelde. Aan mijn vrienden kon ik dat maar beter niet doen, ze zouden me alleen maar uitlachen met mijn meisjeskamer. Met de handdoek om mijn lendenen stapte ik naar het bed om mijn propere kleren. Ik schoot in een lach toen ik zag wat tante had klaargelegd. Ze had zich vergist; er lag een roze jurk met een grote strik en een meisjesbroekje. Die tante toch. Dat was echt uit gewoonte, zonder nadenken.
Ik liep de deur uit, de trap af en zei haar ‘tante, je hebt je vergist! Je hebt meisjeskleren klaargelegd!’ en ik lachte. Ze keek me zo indringend aan dat mijn lach op mijn gezicht bevroor. ‘Het is geen vergissing. Ik heb je al gezegd, ik heb hier nooit jongens te logeren. Ik heb dus geen jongenskamer en ik heb geen jongenskleren. Maak je naar boven en doe aan wat ik heb klaargelegd.’ Onwillekeurig bibberde mijn onderlip. ‘Maar, …’ zei ik, ‘… ik kan toch niet, …’ Plots lachte ze vriendelijk ‘toe,’ zei ze, ‘doe dat nu maar aan. Jouw kleren zitten in de machine, die zijn straks droog. Hier is verder niemand, dus het maakt niets uit. Hup, hup, naar boven. En een beetje haast, dan kan je me helpen bij het koken.’ Met de dood in het hart ging ik terug naar de meisjeskamer. Elke trede leek een berg, zo moeilijk geraakte ik boven. Ik wilde niet. Onder geen beding. Ik haatte meisjes. Ik legde me op het bed. Ik wou naar huis. Ik wou huilen. Of toch niet, want dat is typisch voor meisjes. Jongens huilen niet. Juist. Die zijn stoer. Die trekken zich nergens wat van aan. Wat zou het ook, ze had gelijk. Het was maar tot mijn kleren droog waren. Niemand zou het zien. Het was grappig. Vol goeie moed stond ik op en nam het roze kleedje op. Het had pofmouwtjes, een strik om het middel en plooitjes aan de rok en een rits achteraan. Ik ritste het open en stapte erin. Met veel moeite kreeg ik de rits weer dicht, maar het kleedje paste me perfect. Dat had ze goed ingeschat. Ik wist niet goed wat ik met de lintjes moest. Een strik op mijn buik of op mijn rug? Ik probeerde eerst mijn buik. Maar daar zat die in de weg. Dan maar op de rug, maar daar kon ik niet goed aan. Ik liet ze maar bengelen. Ik nam het slipje en bekeek het langs alle kanten. Het was wit met rode randjes die ribbelden. Vooraan stond alweer een eenhoorn, dit keer onder een regenboog en met sterretjes erom heen. Ik trok het slipje aan en ging voor de spiegel staan. Ik trok mijn kleedje op om te zien hoe het me stond. Grappig, vond ik. Dat moest ik toegeven. Op de grond stonden rode slippers waarop witte sokjes lagen. De sokjes hadden een kanten randje en de slippers moest ik vastdoen met een blinkende gesp aan een riempje. Ik ging opnieuw voor de spiegel staan. Nou, met mijn lange, krullende lokken, kon ik eigenlijk wel best voor een meisje doorgaan, zag ik. Ik huppelde wat, hield mijn handen slap, wuifde er mee. Het was eerlijk gezegd wel lollig. Toen stak ik mijn middelvinger op en hoorde tante roepen. Of ik bijna klaar was, tijd om aan het eten te beginnen. Ik trippeltrappelde de houten trap af, me stevig vasthoudend aan de leuning. Ik had nog nooit op schoenen met hakjes gewandeld en hoewel ze niet echt hoog waren, had mijn evenwicht er toch last van. Toen ik halverwege was, kwam ze mijn richting uit. Ze klapte in haar handen en zei ‘oh, wat beeldig! Maar wat een schatje!’ Ze lachte erg lief en kirde van de pret. Ik lachte ook. Ik zag er de grap wel van in. ‘Kom,’ zei ze, terwijl ze de strik op mijn rug stevig knoopte, ‘we gaan samen gezellig koken.’
Tante leerde me allerlei dingen die ik nog nooit had gedaan. Aardappelen schillen, saus maken, cake en koekjes bakken, groenten snijden, het verschil tussen braden en stomen en koken en bakken. De hele namiddag waren we ermee bezig en het was erg leuk. Ik was helemaal vergeten dat ik een kleedje aan had, behalve op de momenten dat ik naar toilet moest en als een meisje op de bril ging zitten. Ik moest erom lachen. Als ik goed gewerkt had, gaf ze me een tikje op mijn achterste om me aan te moedigen, of kusjes. Daarna moest ik de tafel dekken en gingen we eten. Ik schrok toen ik met mijn blote billen op de koude stoel ging zitten en tante lachte. ‘Wacht’, zei ze en stond op en toonde me hoe meisjes horen te gaan zitten: handen op je achterwerk, je rok of kleedje tegen je benen duwen en dan op je kleedje gaan zitten. Niet op je blote billen. Daarna was het mijn beurt en moest ik oefenen. Ze vond dat ik het na een paar keer erg goed deed en ik voelde me een beetje trots door haar aanmoedigingen. Voor we begonnen gaf ze me een vitaminepil en een groot glas water dat ik helemaal moest uitdrinken, hoewel het maar een erg klein pilletje was. ‘Dat is om aan te sterken,’ zei ze. ‘Het is gezond voor je!’. Zodra mijn glas leeg was, schonk ze het opnieuw vol en tijdens de maaltijd moedigde ze me de hele tijd aan veel te drinken. Nadien gingen we beiden afwassen en daarna zetten we ons in het salon, waar ze ging te haken. Ik had niets om handen en dus las ik maar wat van de meisjesmagazines die op het tafeltje lagen. Het zou goed zijn voor mijn Engels, had tante gezegd, en dat was waar. Want het enige Engels dat ik kende was van liedjes. De magazines waren saai. Erg saai: meisjes die allerlei jurkjes pasten, die uitgingen, dansten, een overzicht van ‘leuke broekjes’. Foto’s van mannelijke popsterren die ik niet kende, sommige stoer in hun blote, behaarde bast, anderen met spannende broeken waar je hun geslacht zag zitten. Ik wist helemaal niet dat er zo’n magazines bestonden en dat meisjes zich daarmee bezig hielden, om zo naar popsterren te kijken. Er was ook een rubriek met liefdesverdriet, maar ik begreep er niet veel van en keek vooral naar de prentjes en foto’s en een stripverhaal over meisjes die op hun kamer toneel speelden en zich de hele tijd aan- en uitkleedden en dan nieuwe kostuums uitprobeerden. Ik werd er wat slaperig van. Tante merkte het op en zei ‘tijd voor bed, mijn schatje. Kom.’ Ze leidde me naar boven en haalde uit de grote kast een slaapkleedje dat ik aanmoest. Ik gaf er al bijna niet meer om. ‘Het is hier ’s nachts nog best killig,’ zei ze en ik geloofde haar. Verwarming had ik nergens in huis gezien, behalve de open haard beneden. Nergens chauffage zoals bij ons. Dus trok ik geeuwend het slaapkleedje over mijn hoofd. Maar toen ze me een luier gaf, schudde ik fel mijn hoofd. ‘Ik hoef geen luier!’ zei ik. ‘Ik ben een grote jongen, ik plas niet in bed!’ Zonder dat ik het zag aankomen gaf ze me een enorme lel tegen mijn kaak en ik tolde bijna rond. ‘Je doet wat ik je zeg,’ zei ze fel. ‘Bovendien, het enige toilet hier is dat hokje in de tuin,’ ze wees het me door het raam aan. ‘Maar daar wil je niet naartoe ’s nachts. En ik wil onder geen beding dat je in de douche plast. Doe aan!’ Het was een luierbroekje met aan de voorkant een blauwe vlinder en bloemetjes. Ik trok het over mijn benen terwijl ik voelde hoe mijn wang bloedrood gloeide. De tranen stonden me opnieuw in de ogen. Op het nachtkastje had ze een glas water gezet en maande me aan het helemaal uit te drinken. Ik slokte het naar binnen alsof mijn leven ervan afhing. ‘Flink,’ zei ze, en dekte me toe en gaf me een nachtkus op de wang. ‘Dat is mijn brave meisje! Ga nu maar lekker slapen.’
Ik heb lang gehuild in bed. Eerst omwille van die klap en meer nog van de plotse woede-aanval die me bang maakte. Mijn mama had me nooit geslagen. Zelfs geen tik had ze me gegeven. Ik miste mijn mama. Ik wilde naar huis. Ik wilde mijn gewone leven terug, als jongen, spelen, naar school gaan. Ik bedacht dat mijn tante misschien wel een gevaarlijk gekkin was, met dat geroep, die woede en haar slaan. Toen ik na een tijdje bekomen was, troostte ik me met het idee dat het allemaal tijdelijk was. Als mijn mama uit het hospitaal kwam, kon ik weer naar huis en mijn gewone leventje weer opnemen. En nooit, maar dan ook nooit zou ik iemand zeggen dat ik hier zo in een meisjeskamer had gelegen, met een doorschijnende nachtjapon met strikjes en een meisjesluier met een vlinder. Toen ik aan de luier dacht, nam ik me alvast voor dat ik er onder geen beding in zou plassen. Maar ik voelde plots ook hoe gespannen mijn buik was geworden. Geen wonder, ze had me zeker vijf of zes grote glazen water doen drinken. Ik had wel al eens gehoord dat dat gezond was, maar dit leek me nogal maniakaal. Mijn buik spande steeds harder. Ik zou het moeten inhouden tot morgenvroeg, bedacht ik. Maar ik twijfelde of dat zou lukken. Nadat ik daar een half uur of wat had liggen zuchten en puffen en de pijn steeds harder werd, wilde ik even door het raam kijken waar dat toilet juist was. Maar ik had nog maar een stap of twee uit bed op de krakende vloer gezet of ze schreeuwde me van beneden toe ‘in je bed!’ Ik kroop er dus maar weer in, snikkend van verdriet en de pijn die steeds feller kwam opzetten. Mijn buik leek wel een ballon. Ik bedacht dat het geen kwaad kon als ik een klein beetje zou plassen, gewoon om de druk wat te verlichten. Ik perste een beetje en een straaltje liep tussen mijn benen maar verdween onmiddellijk weer. Het had niet geholpen. Nu was de pijn nog feller. Ik loste nog een straaltje. Daarna nog een. En daarna liet ik me helemaal gaan. Ik plaste gewoon mijn blaas leeg. Het was eigenlijk veel minder erg dan ik gevreesd had. Het was warm en niet onaangenaam. Ik was opgelucht, voelde me bevrijd en dommelde in.
VOLGENDE KEER: DAG 2
4388 keer gelezen
Score: 6
(van aantal stemmen: 16)
Je moet eerst inloggen om te kunnen stemmen.
